Hoe werkt een kaars?

Een brandende kaars lijkt eenvoudig, maar achter de vlam zit een slim samenspel van warmte, vloeibare was, de lont en zuurstof uit de lucht. De lont brandt daarbij niet simpelweg langzaam op als een touwtje. Het kaarsvet is de belangrijkste brandstof.

De warmte van de vlam smelt het kaarsvet rondom de lont. De vloeibare was trekt vervolgens door de fijne openingen tussen de vezels van de lont omhoog. Dicht bij de vlam wordt de was zo heet dat deze verdampt. Het is vooral deze wasdamp die in de vlam met zuurstof reageert en daarbij licht en warmte produceert.

Wat gebeurt er wanneer je een kaars aansteekt?

Bij het aansteken brandt eerst een klein gedeelte van de lont. De warmte daarvan smelt het kaarsvet direct rondom de lont. Zodra er voldoende vloeibare was beschikbaar is, wordt deze door de lont omhoog getransporteerd.

De warmte van de vlam zorgt er vervolgens voortdurend voor dat nieuwe was smelt en verdampt. Zolang voldoende brandstof en zuurstof beschikbaar zijn, houdt de kaars dit proces zelf in stand.

Je kunt het brandproces vereenvoudigd in vier stappen beschrijven:

  1. De warmte van de vlam smelt het kaarsvet rondom de lont.
  2. De vloeibare was trekt via de lont omhoog.
  3. Dicht bij de vlam verdampt de was.
  4. De wasdamp reageert met zuurstof en daarbij komen licht en warmte vrij.

Brandt de lont of het kaarsvet?

Het kaarsvet is de belangrijkste brandstof van een kaars. De lont heeft vooral de taak om vloeibare was naar de vlam te transporteren.

Dat verklaart waarom een losse katoenen draad heel anders brandt dan dezelfde draad in een kaars. In een brandende kaars wordt voortdurend nieuwe brandstof via de lont aangevoerd.

De lont zelf wordt tijdens het branden wel verhit en verkoolt gedeeltelijk. Een goed afgestemde lont wordt tijdens het branden geleidelijk korter, terwijl de kaars zijn brandstof blijft aanvoeren.

Hoe komt kaarsvet omhoog door de lont?

Het omhoogtrekken van vloeibare was gebeurt door capillaire werking. Tussen de vezels van een kaarsenlont bevinden zich zeer kleine ruimtes. Vloeistof kan door deze nauwe openingen omhoog bewegen.

Hetzelfde natuurkundige verschijnsel zie je bijvoorbeeld wanneer de rand van een stuk keukenpapier in water wordt gehouden en het water langzaam verder het papier intrekt.

Bij een kaars wordt de vloeibare was op deze manier vanuit de smeltpool naar het warme gedeelte van de lont gebracht. Daar verdampt de brandstof voordat deze daadwerkelijk verbrandt.

Waarom ontstaat er een plasje vloeibaar kaarsvet?

De vlam verwarmt niet alleen de lont, maar ook het oppervlak van de kaars eromheen. Daardoor ontstaat rond de lont een hoeveelheid vloeibare was. Dit wordt de smeltpool genoemd.

De grootte van de smeltpool hangt onder andere af van de diameter van de kaars, de gebruikte was, de lont, de brandduur en de omgeving waarin de kaars staat.

De smeltpool vormt als het ware het voorraadgebied waaruit de lont tijdens het branden voortdurend vloeibare brandstof opneemt.

Waarom heeft een kaarsvlam verschillende kleuren?

Een kaarsvlam bestaat niet overal uit dezelfde omstandigheden. Temperatuur, hoeveelheid zuurstof en samenstelling van de gassen verschillen binnen de vlam. Daardoor zijn verschillende zones zichtbaar.

Vlak bij de lont bevindt zich een relatief donkere zone met brandstofdamp die nog niet volledig met zuurstof heeft gereageerd. Rondom deze zone vindt verdere ontleding en verbranding plaats.

Het opvallendste gedeelte is de heldere geel-oranje zone. Hier ontstaan tijdens de verbranding zeer kleine koolstofdeeltjes. Deze deeltjes worden door de hoge temperatuur zo heet dat ze gaan gloeien en zichtbaar licht uitstralen.

Aan de buitenzijde van de vlam is meer zuurstof beschikbaar en vindt een groot deel van de verdere verbranding plaats. Onderaan de vlam kan soms ook een blauwachtige zone zichtbaar zijn.

Waarom is een kaarsvlam vooral geel?

De bekende warme gele kleur van kaarslicht ontstaat dus voor een belangrijk deel doordat zeer kleine koolstofdeeltjes in de hete vlam gaan gloeien. Dit verschijnsel heet gloeien of incandescentie.

Wanneer deze deeltjes de zuurstofrijke buitenzijde van de vlam bereiken, worden ze bij een goed brandende kaars grotendeels verder geoxideerd. Wanneer de verbranding wordt verstoord, kunnen meer van deze koolstofdeeltjes als zichtbaar roet uit de vlam ontsnappen.

Daarom kan een rustig brandende kaars een stabiele gele vlam hebben zonder voortdurend zichtbaar zwarte rook te produceren.

Hoe heet is een kaarsvlam?

Een kaarsvlam heeft niet één temperatuur. Binnen de verschillende zones bestaan aanzienlijke temperatuurverschillen. In de heetste delen kan de temperatuur boven de 1.000 °C uitkomen.

Dat betekent uiteraard niet dat de hele kaars of de lucht rondom de kaars deze temperatuur bereikt. Het gaat om een klein gebied in en rond de verbrandingszone van de vlam.

Ondanks het kleine formaat kan een kaars daardoor continu warmte aan zijn omgeving afgeven. Hoeveel vermogen een kaars daadwerkelijk levert, behandelen we bij huis verwarmen met kaarsen: hoeveel warmte geeft een kaars?.

Waarom geeft de ene kaars meer licht dan de andere?

Niet iedere kaars heeft dezelfde vlamgrootte. Een grotere vlam kan meer brandstof per tijdseenheid verwerken en daardoor doorgaans meer licht en warmte produceren dan een veel kleinere vlam.

De lont speelt hierin een belangrijke rol. De constructie en afmetingen van de lont bepalen mede hoeveel vloeibare was naar de vlam kan worden aangevoerd. Daarom wordt een lont afgestemd op onder andere de gebruikte was en het formaat van de kaars.

Een maxi-theelicht kan bijvoorbeeld een andere lont en grotere vlam hebben dan een klein standaard theelichtje. Alleen de hoeveelheid aanwezige was bepaalt dus niet hoeveel licht of warmte een kaars op een bepaald moment afgeeft.

Waarom geven transparante theelichtcups meer zichtbaar licht?

Bij een traditioneel theelichtje in een ondoorzichtig metalen cupje kan een deel van het licht alleen naar boven en opzij de omgeving bereiken. Een transparant cupje laat ook licht door de zijkanten en onderzijde van de houder naar buiten.

Daardoor kan een theelichtje in een transparante cup meer zichtbaar licht rondom het lichtje geven. Dat betekent niet automatisch dat de vlam zelf meer licht produceert. Het verschil zit vooral in hoeveel van het geproduceerde licht door de houder wordt doorgelaten.

Waarom buigt het uiteinde van een kaarsenlont?

Veel moderne kaarsenlonten zijn zo geconstrueerd dat het uiteinde tijdens het branden naar de buitenzijde van de vlam buigt. Daar komt het in een warmere en zuurstofrijkere zone terecht.

Het verkoolde uiteinde kan daar geleidelijk verder verbranden. Hierdoor kan de lont zichzelf tijdens normaal branden gedeeltelijk op lengte houden.

Bij een niet goed afgestemde of te lange lont kan aan het uiteinde meer verkoold materiaal ontstaan. Dat kan invloed hebben op de grootte en stabiliteit van de vlam.

Waarom gloeit de lont rood of oranje?

Het uiteinde van de lont bestaat tijdens het branden gedeeltelijk uit heet en verkoold materiaal. Dit kan zo heet worden dat het rood of oranje gaat gloeien.

Dit is vergelijkbaar met andere koolstofhoudende materialen die bij hoge temperatuur zichtbaar gaan gloeien. Het betekent niet dat daar een tweede afzonderlijke vlam aanwezig is.

Waarom flikkert een kaars?

Een rustige kaarsvlam heeft normaal een vrij stabiele druppelvorm. Luchtstromen verstoren de aanvoer van zuurstof en de warme gassen rondom de vlam. Daardoor beweegt de vlam heen en weer en ontstaat het bekende flikkeren.

Een klein beetje beweging is normaal, maar sterke tocht kan de verbranding duidelijk verstoren. De vlam kan groter of onrustiger worden en de kans op zichtbaar roeten kan toenemen.

Daarom brandt een kaars doorgaans het rustigst op een plaats zonder sterke tocht of directe luchtstroom.

Waarom knettert of sist een gewone kaars soms?

Een gewone kaars met een katoenen lont hoort normaal gesproken vrij stil te branden. Af en toe kan toch een zacht knetterend of sissend geluid ontstaan.

Dat kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer kleine hoeveelheden vocht of andere verontreinigingen in of rond de lont en de vloeibare was terecht zijn gekomen. Door de hoge temperatuur kunnen zulke kleine hoeveelheden snel verdampen en een kort geluid veroorzaken.

Dit moet niet worden verward met kaarsen met een houten lont die juist bewust zijn ontworpen om tijdens het branden een licht knetterend geluid te kunnen maken.

Een kaars die voortdurend sterk knettert, spat of opvallend onrustig brandt, gedraagt zich niet zoals een normale rustig brandende kaars. In dat geval is het verstandig de kaars te doven en te controleren voordat deze opnieuw wordt gebruikt.

Waarom brandt een kaars soms slecht?

Een stabiele kaarsvlam ontstaat alleen wanneer de hoeveelheid brandstof, de lont en de zuurstoftoevoer goed met elkaar in balans zijn. Wordt die balans verstoord, dan kan het brandgedrag veranderen.

Een te kleine lont kan bijvoorbeeld onvoldoende brandstof verwerken om een brede smeltpool te vormen. Een te grote of te lange lont kan juist een te grote vlam veroorzaken. Ook tocht, vuil in de smeltpool, de gebruikte was en de omgevingstemperatuur kunnen invloed hebben.

Een kaars is daarom een samengesteld systeem: was, lont, formaat en omgeving werken tijdens het branden voortdurend samen.

Waar blijft het kaarsvet wanneer een kaars opbrandt?

Kaarsvet verdwijnt niet zomaar. Het wordt als brandstof omgezet in andere stoffen.

De was bestaat grotendeels uit verbindingen die koolstof en waterstof bevatten. Bij een goede verbranding reageren deze met zuurstof uit de lucht. Een groot deel wordt uiteindelijk omgezet in koolstofdioxide en waterdamp, waarbij energie vrijkomt als warmte en licht.

Daarom wordt een kaars tijdens het branden steeds kleiner zonder dat er naast de kaars een even grote hoeveelheid vast materiaal achterblijft.

Waarom blijft een kaars vanzelf branden?

Zodra het proces eenmaal op gang is gekomen, levert de vlam zelf de warmte die nodig is om nieuwe was te smelten en te verdampen. De lont voert deze nieuwe brandstof voortdurend aan.

Hierdoor ontstaat een zichzelf in stand houdende cyclus: verbranding produceert warmte, die warmte maakt nieuwe brandstof beschikbaar en die brandstof houdt de verbranding gaande.

Wanneer je de vlam dooft, stopt deze cyclus. De was koelt af en wordt weer vast. Bij het opnieuw aansteken moet het proces opnieuw op gang worden gebracht.

Welke rol spelen was en lont samen?

De werking van een kaars kan niet los worden gezien van de combinatie van was en lont. Verschillende wassen hebben andere eigenschappen en vragen daardoor om een passende lont.

Ook de diameter en constructie van de kaars spelen mee. Een brede kaars heeft bijvoorbeeld een andere warmtehuishouding dan een dunne dinerkaars.

Meer over de grondstoffen en verschillende bestanddelen lees je bij waar worden kaarsen van gemaakt?.

Een kaars is een kleine gecontroleerde verbranding

Een goed brandende kaars houdt voortdurend een evenwicht in stand tussen de aanvoer van vloeibare brandstof, verdamping, zuurstof en warmte. Dat verklaart waarom veranderingen aan de lont, was of omgeving direct zichtbaar kunnen worden in de vlam.

Het verklaart ook waarom een rustige, stabiele vlam belangrijk is. Sterke tocht, een te lange lont of vuil in de smeltpool kunnen dat evenwicht verstoren.

Voor het veilig gebruiken van kaarsen gelden daarnaast altijd de aanwijzingen van de fabrikant. Meer algemene informatie vind je bij veilig branden van kaarsen, fakkels en olielampen.

Veelgestelde vragen over de werking van een kaars

Brandt bij een kaars de lont of het kaarsvet?

Het kaarsvet is de belangrijkste brandstof. De lont transporteert vloeibare was naar de vlam, waar de was verdampt en vervolgens verbrandt. De lont zelf verkoolt en wordt tijdens het branden geleidelijk korter.

Hoe komt kaarsvet omhoog door de lont?

Vloeibaar kaarsvet beweegt door capillaire werking omhoog via de kleine ruimtes tussen de vezels van de lont. Dicht bij de vlam wordt de was verhit, verdampt en vervolgens als brandstof verbrand.

Waarom is een kaarsvlam geel?

De gele kleur ontstaat voor een belangrijk deel doordat zeer kleine koolstofdeeltjes in de hete vlam gaan gloeien en zichtbaar licht uitstralen. In de zuurstofrijke buitenzijde van een goed brandende vlam worden deze deeltjes grotendeels verder geoxideerd.

Waarom flikkert een kaars?

Luchtstromen verstoren de warme opstijgende gassen en de toevoer van zuurstof rond de vlam. Daardoor beweegt de vlam en gaat deze flikkeren. Sterke tocht kan het brandgedrag verstoren en de kans op zichtbaar roeten vergroten.

Waarom knettert of sist een gewone kaars soms?

Een gewone kaars met katoenen lont hoort meestal rustig te branden. Een kort knetterend of sissend geluid kan onder andere ontstaan door kleine hoeveelheden vocht of verontreinigingen rond de lont of in de vloeibare was. Voortdurend sterk knetteren of spatten hoort niet bij normaal rustig brandgedrag.

Waar blijft het kaarsvet als een kaars opbrandt?

Het kaarsvet wordt als brandstof gebruikt. De was verdampt bij de vlam en reageert met zuurstof. Bij een goede verbranding wordt een groot deel uiteindelijk omgezet in koolstofdioxide en waterdamp, waarbij warmte en licht vrijkomen.

INSPIRATIE EN VOORDELEN
exclusieve kortingen tot 50%